Achtergronden van beperkt gebruik van de brug-WW

gepubliceerd: 22-12-2017

Er wordt beperkt gebruik gemaakt van de brug-WW, een regeling waardoor nieuwe werknemers noodzakelijke scholing kunnen volgen. Panteia onderzocht daarom in opdracht van het ministerie van SZW de oorzaken van het achterblijvende gebruik.

Uit het onderzoek blijkt dat het gebruik achter blijft door de relatieve onbekendheid van de regeling, de administratieve belasting, de aan de regeling verbonden baangarantie en de grotere aantrekkelijkheid van alternatieve scholingsregelingen voor WW’ers.
Doel van tijdelijke regeling brug-WW
De tijdelijke regeling brug-WW (aanvraagperiode 1 april 2016 tot 1 april 2018) biedt werkzoekenden met een WW-uitkering de mogelijkheid deels te werken bij een nieuwe werkgever en tegelijkertijd noodzakelijke (bij- of om)scholing te volgen vanuit de WW. De werknemer, die bij een nieuwe werkgever om- of bijscholing nodig heeft om zijn nieuwe functie goed te kunnen uitoefenen, ontvangt een WW-uitkering over de uren waarin hij of zij scholing volgt. Op deze manier zou voor werkgevers een belangrijk obstakel om werknemers scholing te laten volgen wegvallen, namelijk de zogeheten “verletkosten”. Er zijn twee varianten: brug-WW in het kader van een sectorplan en brug-WW zonder sectorplan. Beleidsmatig is het ministerie van SZW verantwoordelijk voor deze regeling, UWV verzorgt de uitvoering ervan.
Oorzaken achterblijvend gebruik brug-WW
Op 1 september 2017 waren er 71 deelnemers. Daarom vroeg het ministerie Panteia, dat de regeling voor haar monitort en evalueert, aanvullend onderzoek te doen naar de achtergronden van het beperkt gebruik van de brug-WW. Panteia sprak hiertoe met vertegenwoordigers van UWV, sectorplannen, bedrijven en sociale partners.

Volgens de geïnterviewden is de regeling relatief onbekend bij zowel werkgevers als WW-ers; deels komt dat doordat UWV de brug-WW niet actief promoot. Als een werkgever voor de regeling kiest, gaat de WW’er er meestal wel op in. Door de sterke economische groei en de krapper wordende arbeidsmarkt neemt de mate waarin werkgevers bij aanname van WW’ers scholing aanbieden echter af. Werknemers moeten sneller productief zijn; een “substantiële opleiding” of “noodzakelijke bijscholing”, zoals in de regeling als voorwaarde wordt gesteld, past daar minder goed in. Verder vormen de (vermeende) administratieve lasten van de regeling een belemmerende factor. Ook schrikt de aan de regeling gekoppelde baangarantie na afloop van de scholing veel werkgevers af. Ten slotte is de grotere aantrekkelijkheid van andere scholingsregelingen – met name de oorspronkelijke Scholingsregeling WW van UWV en diverse sectorale scholingsregelingen – een oorzaak van het beperkt gebruik van de regeling. Die aantrekkelijkheid is vooral gelegen in het kleinere (financiële) werkgeversrisico (geen baangarantie) en het lagere bureaucratische gehalte.

Geen verdere voorzetting brug-WW
Op basis van de onderzoeksresultaten heeft SZW de conclusie getrokken dat de brug-WW geen oplossing biedt voor de mogelijke mismatch tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Het ministerie ziet ook geen mogelijkheden het gebruik te stimuleren door de regeling aan te passen. Daarom is het voornemen de regeling na 1 april 2018 niet voort te zetten.

Neem contact op

Heeft u vragen of wilt u meer informatie? We staan u graag te woord.

Bel ons op: 079-322 20 00